close

Mijn dossier

Hoe kunnen we helpen? custom menu custom search NL FR arrow
Mijn dossier Mijn dossier
search
custom menu
NL FR Mijn dossier Mijn dossier
22/03/22

Stroper veroordeeld

Inbreuk op het jachtrecht

Stroper veroordeeld – burgerlijke vordering van de jachtrechthouder gegrond verklaard niettegenstaande louter geënt op een vervolging wegens inbreuk op de wapenwet en de wet op de dierenbescherming

De correctionele rechtbank te Brussel veroordeelde een stroper wegens inbreuken op het jachtrecht van de jachtrechthouder, meer bepaald door het schieten van een nijlgans in het jachtrevier met een luchtdrukwapen.

De inverdenkinggestelde werd na afwikkeling van het gerechtelijk onderzoek finaal niet vervolgd voor het regelmatig stropen in het jachtrevier van de burgerlijke partij, doch bleef overeind de vaststelling dat hij in het jachtrevier van de burgerlijke partij (en dus met miskenning van het jachtrecht van de burgerlijke partij) met een verboden wapen (inbreuk op de wapenwet)(tenlastelegging B) een gans heeft aangeschoten en deze heeft laten creperen (inbreuk op de wet van 1986 op het dierenwelzijn)(tenlastelegging F), i.e. de twee tenlasteleggingen waarvoor hij door de raadkamer naar de correctionele rechtbank werd verwezen:

tenlastelegging B: een verboden wapen te hebben vervaardigd, hersteld, te koop gesteld, verkocht, overgedragen, vervoerd, opgeslagen, voorhanden gehad of gedragen te hebben, namelijk een vuurwapen uitgerust met richtapparatuur, die een straal projecteert op het doel, zoals bedoeld in art. 3 §1,15° van de Wapenwet (artikelen 3, 8, 23,24, 25, 26, 29, 46, 48 en 49 van de Wapenwet)

tenlastelegging F: een gewerveld dier niet gedood te hebben volgens de minst pijnlijke methode, door een nijlgans eerst door het hoofd te schieten en daarna zieltogend achter te laten onder vuil wasgoed (art. 15 en 36,6° van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren)

De burgerlijke partij qualitate qua jachtrechthouder van de percelen waarop deze misdrijven zijn gepleegd, liet daaromtrent een moreel en materieel belang gelden. De beklaagde heeft met een verboden wapen een gans aangeschoten en die navolgens laten creperen. Als jachtrechthouder van de percelen waarop beklaagde de feiten heeft gepleegd, heeft de jachtrechthouder schade geleden, dewelke zich voordoet als volgt: 1) morele schade: in het jachtrevier is de burgerlijke partij verantwoordelijk voor een verantwoord wildbeheer. Het aanschieten van dieren en deze navolgend laten creperen strijdt met die doelstellingen en met de faunabeheersplannen van de WBE. Het hanteren van verboden wapens in het jachtrevier straalt negatief af op het imago van de burgerlijke partij als jachtrechthouder; 2) materiële schade: de burgerlijke partij zet administratiekosten en kosten van achternageloop uit.

Voor gelijkaardige feiten worden recht doend op de burgerlijke vorderingen van natuurverenigingen als Natuurpunt VZW en Vogelbescherming Vlaanderen VZW aan deze organisaties door de rechtbanken ten lande duizenden euro’s schadevergoeding toegekend. Dat diende naar oordeel van de betrokken jachtrechthouder in wezen niet anders te zijn t.a.v. de jachtrechthouder op wiens percelen dergelijke misdrijven worden gepleegd.

Beklaagde werd bij vonnis van 14 april 2021 (onuitg.) door de correctionele rechtbank te Brussel veroordeeld tot een geldboete van 250 euro, meer opdeciemen gebracht op 2.000 euro, waarvan de helft met uitstel. Voor de inbreuk op het jachtrecht werd aan de jachtrechthouder een symbolische schadevergoeding van 300 euro toegekend.

Hier gaan de voornaamste overwegingen van de rechtbank (Corr. Brussel, 14 april 2021, 51192/2021, onuitg.):

Doordat op het luchtdrukgeweer richtapparatuur met een groene laserstraal werd gemonteerd wordt dit een verboden wapen overeenkomstig artikel 3 §1, 15° van de Wapenwet van 8 juni 2006. Met deze niet toegelaten methode worden hazen, fazanten, ganzen, eenden, vossen en konijnen geschoten.

Een nijlgans is geen beschermd dier en mag geschoten worden voor zover men beschikt over een jachtvergunning, wat niet het geval was bij beklaagde.

Het doden van een dier dient te gebeuren op een manier die het leed van het dier zoveel mogelijk vermijdt of beperkt cfr. artikel 15 en 36, 6° van de dierenbeschermingswetvan 14 augustus 1986. Door het schot van beklaagde was de gans levensgevaarlijk gewond; de gans werd niet onmiddellijk gedood doch zieltogend achtergelaten; het dier werd dus niet op de snelste en minst pijnlijke manier gedood.

De feiten van tenlasteleggingen B en F zijn bewezen.

De inbreuken op de Wapenwet brengen mee dat de rechter de bijzondere verbeurdverklaring moet uitspreken van het in beslag genomen wapen, zijnde het voorwerp van het gepleegde misdrijf onder B en dienstig of bestemd tot het plegen van het bewezen misdrijf onder F, overeenkomstig artikel 23, zesde lid van de Wapenwet en 42, 10 Strafwetboek.

(…)

Op basis van de voorliggende elementen kan er geen twijfel over bestaan dat beklaagde de gans schoot in het jachtgebied beheerd door de burgerlijke partij.

De burgerlijke partij stelt schade te hebben geleden doordat beklaagde met miskenning van het jachtrecht van de burgerlijke partij met een verboden wapen een gans heeft aangeschoten en heeft laten creperen, wat totaal ingaat tegen de manier waarop de jacht op gewervelde dieren toegelaten is.

De beoordeling van de burgerlijke vordering gebracht voor de strafrechter heeft geen ander doel dan de schade te doen vergoeden die het gevolg is van de bewezen verklaarde misdrijven.

(…)

De burgerlijke partij bewijst voldoende een reputatieschade te hebben geleden: in het jachtrevier is de burgerlijke partij verantwoordelijk voor het wildbeheer en het op een verantwoorde en wettige wijze organiseren van de jacht. Het onwettig, met een verboden wapen aanschieten van een dier is strijdig met een verantwoord wild beheer en straalt negatief af op het imago van de burgerlijke partij als jachtrechthouder.
Het causaal verband van de reputatieschade met de bewezen misdrijven is bewezen.